Interview: "Het NMO moet meebewegen in een snel veranderende wereld"

13 augustus 2026

Sinds de start in 2025 heeft het Nederlands Materialen Observatorium (NMO) in korte tijd een stevige basis gelegd. In dit interview blikt programmadirecteur Peter Paul van ’t Veen terug op de behaalde resultaten en kijkt hij vooruit: van betrouwbare informatie en duiding naar handelingsperspectief voor overheid en industrie.

Het NMO werd in februari 2025 officieel geopend door TNO, op verzoek van het Ministerie van Economische Zaken. Het kenniscentrum helpt Nederland beter zicht te krijgen op afhankelijkheden in toeleveringsketens van kritieke materialen, waarvan winning, verwerking en productie sterk geconcentreerd zijn buiten Europa. Daarmee sluit het NMO aan bij de Nationale Grondstoffenstrategie (NGS) en de Europese Critical Raw Materials Act (CRMA), die beide gericht zijn op het verhogen van de weerbaarheid van de industrie tegen verstoringen in de toeleveringsketens van kritieke materialen.

“De nadruk van het NMO ligt op het verzamelen en beschikbaar stellen van informatie, het bieden van inzicht en het vertalen daarvan naar adviezen voor verschillende belanghebbenden."

Binnen die beleidscontext ligt de focus van het NMO op kennis en duiding. “De nadruk van het NMO ligt op het verzamelen en beschikbaar stellen van informatie, het bieden van inzicht en het vertalen daarvan naar adviezen voor verschillende belanghebbenden”, legt Peter Paul van ’t Veen, programmadirecteur van het NMO, uit. “Het is niet aan het NMO om zelf maatregelen te nemen, maar wel om advies, onderbouwing en richting te geven.” Daarbij richt het NMO zich op overheid, bedrijfsleven, kenniswereld en maatschappelijke organisaties.

Waarde op meerdere niveaus

Die rol kreeg in het eerste jaar vorm door het programma in te richten, samenwerkingen op te zetten en de governance te organiseren. Inmiddels werkt het NMO hard aan het invullen van de informatiebehoefte. Een belangrijke mijlpaal is het Nationaal Exploratie Programma (NEP), een vereiste uit de CRMA. “We hebben daarmee een eerste stap gezet in het in kaart brengen van de potentieel in de Nederlandse ondergrond aanwezige kritieke materialen.”, zegt Van ’t Veen. “We hebben een inventarisatie gemaakt van mogelijke voorkomens van kritieke materialen en aanbevelingen gedaan voor nader onderzoek. Daarbij hebben we vooral gekeken waar nu al activiteiten plaatsvinden waar mogelijk ook kritieke materialen gevonden kunnen worden. Dit is allemaal nog verkennend onderzoek. Komende tijd vullen we dit gaandeweg verder in.”

Daarnaast levert het NMO materiaaldossiers op. Deze geven inzicht in de beschikbaarheid, toepassingen en strategische relevantie van afzonderlijke kritieke materialen. Inmiddels zijn zeven dossiers beschikbaar. De komende periode worden regelmatig nieuwe dossiers toegevoegd. Verder werd de eerste nationale lijst van 17 kritieke grondstoffen in juli van dit jaar gepubliceerd. “De nationale lijst is het resultaat van een analyse door het NMO van de leveringsrisico’s en economische relevantie van de kritieke materialen op de CRMA-lijst, voor specifiek de Nederlandse economie en vormt de basis voor verdere prioritering van activiteiten.”, aldus Van ’t Veen. Ook op andere terreinen zijn de eerste resultaten zichtbaar. Zo bouwt het NMO internationaal, op verzoek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, kennissamenwerking op met onder meer Canada, Chili, Vietnam en Zuid-Afrika en zijn er verschillende rapporten gepubliceerd over het potentieel van recycling.

Samen laten deze eerste resultaten volgens Van ’t Veen zien dat het NMO goed uit de startblokken is gekomen en op verschillende vlakken al een bijdrage levert: van structurele kennisopbouw tot advies bij acute vraagstukken, zoals handelsbeperkingen vanuit China. “Het is positief om te zien dat dit ook wordt gewaardeerd door onze partners en vooral door de mensen met wie we intensief samenwerken.”

Van informatie naar handelingsperspectief

De behaalde resultaten vormen de basis voor de volgende stap. Waar het NMO nu al informatie verzamelt, duidt en beschikbaar stelt, moet de ambitie voor Van ’t Veen bij richtinggevend advies liggen. “Het moet niet blijven bij het aandragen van informatie”, zegt hij. “De ambitie is om die informatie vervolgens te vertalen naar adviezen over maatregelen die echt een verschil maken en op termijn bestaande afhankelijkheden daadwerkelijk verlagen.”

“De ambitie is om informatie die het NMO aandraagt vervolgens te vertalen naar adviezen over maatregelen die echt een verschil maken en op termijn bestaande afhankelijkheden daadwerkelijk verlagen.”

Om die stap te zetten, is samenwerking essentieel. Het NMO werkt met ministeries, bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties, en bouwt voort op contacten met onder meer FME, VNO-NCW en de industrie en kennispartners zoals HCSS, CBS, PBL en universiteiten. “Samenwerking is voor het NMO van groot belang”, benadrukt Van ’t Veen. “We hebben veel verschillende contacten met een diverse groep aan betrokkenen en hebben het afgelopen jaar een uitgebreid netwerk opgebouwd van partijen rond het thema kritieke materialen.” Die samenwerking draagt ook bij aan een de vorming van een brede kennisbasis. Volgens Van ’t Veen is het onderwerp kritieke grondstoffen jarenlang gedragen door een relatief kleine groep specialisten. “Er moet een bredere kennisbasis komen van mensen die inzicht hebben in de complexiteit van dit onderwerp”, zegt hij. “Daar moeten we in investeren, vooral voor de lange termijn.”

Die bredere kennisbasis is ook in de industrie nodig. Niet alleen grote bedrijven, maar juist ook kleinere bedrijven moeten beter zicht krijgen op hun afhankelijkheden. “De vraag is hoe we ervoor zorgen dat het bewustzijn en vervolgens de benodigde kennis bij bedrijven op het juiste niveau komen”, zegt hij.

Blijven meebewegen

Tegelijkertijd maakt de breedte van het onderwerp de opgave complex. Kritieke grondstoffen raken aan geopolitiek, industriebeleid, circulariteit, duurzaamheid, mijnbouw, defensie en internationale samenwerking. “Het is een heel breed domein”, zegt Van ’t Veen. “De vraag is hoe we binnen het NMO, samen met onze partners, die breedte voldoende afdekken en de complexiteit goed blijven vatten. De wereld verandert snel en dit onderwerp dreigt alleen maar belangrijker te worden.”

Daarom moet het NMO blijven meebewegen met nieuwe vragen, risico’s en kansen. “We hebben de afgelopen anderhalf jaar enorm veel gedaan”, zegt Van ’t Veen. “Ook om ons heen komen steeds meer partijen in actie. De uitdaging is om als NMO richting te blijven geven en mee te bewegen in die dynamiek.”


Peter Paul van 't Veen - programmadirecteur NMO

Over Peter Paul van ’t Veen

Peter Paul van ’t Veen is sinds januari 2025 programmadirecteur van het NMO. Hij richt zich op de strategische ontwikkeling van het kenniscentrum en vertegenwoordigt het NMO bij ministeries, kennispartners en andere stakeholders.

Met zijn achtergrond in toegepast onderzoek en brede ervaring vanuit TNO in verschillende sectoren zet Peter Paul zich in om het NMO verder te positioneren als kenniscentrum voor kritieke grondstoffen, met bijzondere aandacht voor de internationale agenda en samenwerking met andere landen.